Rubriek-Kevers
Stacks Image 307
Maar geen enkele activiteit in Cambridge werd met half zoveel gretigheid beoefend of schonk me zoveel plezier als kevers verzamelen. (...) Ik geef een bewijs van mijn gedrevenheid: toen ik op een dag een stuk oude schors verwijderde, zag ik twee zeldzame kevers en ving er een in elke hand; toen zag ik een derde, nieuwe soort die ik absoluut wou hebben en stopte de kever die ik in mijn rechterhand hield in mijn mond. Helaas scheidde hij een sterk bijtende vloeistof uit die mijn tong brandde, zodat ik de kever moest uitspuwen en hem kwijtspeelde, evenals de derde. (Charles Darwin)
Stacks Image 308
Verzamelwoede

"Op geen enkel moment in de geschiedenis hield een groep mensen zich bezig met een bredere waaier van lofwaardige activiteiten waarvoor ze geenszins waren aangesteld." (Bill Bryson)

Van de 18de tot diep in de 19de eeuw leiden de meeste leden van de anglicaanse plattelandsclerus een luizenleventje. Ze worden goed betaald en hebben weinig of niets om handen. Velen schrijven niet eens hun eigen sermoenen, maar dreunen er elke week eentje af uit een standaard prekenboek. Geld en vrije tijd: meer heeft de sluimerende jager-verzamelaar in ieder van ons niet nodig om klaarwakker te worden. Postzegels, aanstekers, sauskommen, dildo's, champagnecapsules, koffiemolens, bierviltjes, balpennen, teddyberen, doodsprentjes, scheermessen, miniatuurflesjes, brandweerhelmen, knikkers, manchetknopen, sleutelhangers: je kunt het zo gek niet bedenken of er is wel iemand die het verzamelt. Maar in Darwins tijd vallen zelfs voor de relatief welgestelde
vicars en rectors nauwelijks verzamelwaardige snuisterijen en andere hebbedingetjes op de kop te tikken. Er wordt nog niet massaal rommel geproduceerd en er zijn dan ook nog geen rommelmarkten. Veel Britse predikanten gaan dan maar op jacht in de natuur en stillen hun verzamelhonger met de meest uiteenlopende mineralogische, floristische of faunistische collecties. Vooral het verzamelen van kevers is populair. Op de Britse Eilanden komen ruim vierduizend soorten voor en de meeste zijn makkelijk te prepareren en te bewaren. Voor buitengewoon mooie en/of zeldzame exemplaren hebben verwoede collectioneurs behoorlijk wat geld over. Erg gegeerd zijn exotische soorten uit alle hoeken van het Britse Rijk. De handel in uitheemse kevers, vlinders en andere beestjes is zelfs zo lucratief dat heel wat avonturiers er hun beroep van maken. De meest bekende is ongetwijfeld Alfred Russel Wallace. In 1858 verblijft hij op het Indonesische eiland Ternate. Hij schrijft er het essay On the Tendency of Varieties to Depart Indefinitely from the Original Type en stuurt het, alsof de duivel ermee gemoeid is, naar Darwin. Die schrikt zich een hoedje. Het essay is immers zowat een samenvatting van zijn eigen, op dat moment nog niet gepubliceerde theorie over de evolutie van soorten door natuurlijke selectie.


Stacks Image 319
Curieuze neus

"Het heeft er alle schijn van dat een zwak voor het verzamelen van kevers een indicatie is van toekomstig succes in het leven." (Charles Darwin)

Het scheelt geen haar of Darwin vervoegt het legertje anglicaanse dorpspredikanten dat zijn dagen vult met activiteiten die weinig of niets met religie of zielzorg te maken hebben. Van kindsbeen af is hij een verwoed verzamelaar en tijdens zijn studies geneeskunde aan de universiteit van Edinburgh hanteert hij vaker een jachtgeweer dan een scalpel. Zijn vader, zelf arts, stuurt hem dan maar naar Cambridge voor een opleiding tot geestelijke in de Kerk van Engeland. Charles verdoet er zijn tijd met jagen, paardrijden, kevers verzamelen en routineus lanterfanten. De perfecte voorbereiding, kortom, op de geneugten van het klerikale leven aan de vooravond van het Victoriaanse tijdperk. Zijn scherpzinnigheid en zijn tomeloze belangstelling voor botanica, entomologie en geologie vallen niettemin op. Als
John Stevens Henslow, één van zijn mentors en zelf clericus, verneemt dat kapitein Robert FitzRoy op zoek is naar een bemiddelde, goed opgeleide jongeman om zijn kajuit aan boord van HMS Beagle te delen, denkt hij meteen aan Darwin. De twee maken kennis op 11 september 1831. FitzRoy, zelf amper 26, is niet meteen overtuigd. Hij gelooft dat de gelaatstrekken van een man zijn karakter verraden en Darwins neus bevalt hem niet. "Maar ik meen dat hij er achteraf volstrekt van overtuigd was dat mijn neus had gelogen", schrijft Darwin later. Hoe dan ook: als Darwin niet zo gretig kevers had verzameld en zich wat meer in de klassieken en de theologie had verdiept, dan is het weinig waarschijnlijk dat zijn naam nu onlosmakelijk zou zijn verbonden met één van de meest briljante inzichten ooit. Misschien was Darwin op latere leeftijd dan wel een overtuigd wallaceaan geworden en kenden we de moderne synthese vandaag als het neowallaceanisme. Thank God for beetles!
Stacks Image 320
An inordinate fondness

Als theologen de Britse geneticus, evolutiebioloog en marxist John Burdon Sanderson Haldane vragen wat hij uit zijn onderzoek van de schepping over het wezen van de Schepper kan afleiden, antwoordt hij: "Een overdreven zwak voor sterren en kevers." Het verhaal is te mooi om waar te zijn, maar vrienden van de in 1964 overleden Haldane herinneren zich wel dat het één van zijn favoriete oneliners is. Feit is dat de meeste dieren insecten en de meeste insecten kevers zijn. Niemand weet zelfs maar bij benadering hoeveel soorten kevers er zijn, maar het zijn er ongetwijfeld veel meer dan de zowat 350.000 die vandaag zijn beschreven. Ramingen lopen uiteen van een half tot ruim acht miljoen soorten. Tussen 1 januari 2000 en 31 december 2009 – het eerste decennium van het derde millennium, althans voor wie de eeuwwisseling op nieuwjaarsdag 2000 vierde – worden volgens het International Institute for Species Exploration niet minder dan 176.311 nieuwe soorten dieren, planten, zwammen en bacteriën beschreven. Meer dan de helft daarvan (88.598 of 50,3%) behoort tot de klasse van de insecten en bijna één vijfde (32.276 of 18,3%) tot de orde van de kevers. Schud in een tropisch regenwoud voldoende hard aan de eerste de beste boom en er valt blijkbaar altijd wel een nog onbekende kever uit. Zelfs de kevercollecties van onze natuurhistorische musea bevatten duizenden anonieme soorten die nooit zijn onderzocht en waarvan intussen misschien al een flink deel is uitgestorven.


Stacks Image 321
Curiouser and curiouser!

"Ik vermoed dat het universum niet alleen vreemder is dan we denken, maar zelfs vreemder dan we kúnnen denken." (J. B. S. Haldane)

"Het is een mythe dat wetenschappers een fles champagne opentrekken wanneer er een nieuwe soort is ontdekt. Onze musea zijn gevuld met nieuwe soorten en onze tijd is te beperkt om meer dan een een kleine fractie van alle nieuwelingen die elk jaar binnenstromen te beschrijven." (Edward O. Wilson)

Slaven en knechten putten vaak een zekere fierheid uit de prestaties, de macht, het aanzien, de rijkdom of het succes van hun al dan niet welwillende meesters. Maar hoe meer ik over kwantumfysica, snaartheorieën of parallelle werelden lees en leer, hoe dieper het tot mij doordringt dat het brein waarop ik soms zo trots ben niet bij machte is om het universum (of multiversum?) te doorgronden. Als ik mijn hersens kon ruilen met die van
Stephen Hawking of een ander natuurkundig genie, dan deed ik dat meteen. Misschien niet voor eeuwig en altijd, want mijn brein heeft ook zijn verdiensten en je kunt slechtere bazen treffen. Maar één dag of zelfs maar één enkel uur in het hoofd van een buitengewoon begaafd astrofysicus kruipen en door zijn of haar ogen naar de wereld kijken: zo'n kans zou ik niet laten liggen. Niettemin vermoed ik dat Haldane het bij het rechte eind heeft en dat het universum inderdaad vreemder is dan zelfs Hawkings superieure brein kán denken. Ik voel me al mijn hele leven een soort Alice in Wonderland en mijn avonturen in de tuin aan de Heuvelstraat 37 confronteren me haast dagelijks met de meest curieuze creaturen en gedragingen. Raarster en raarster! Volgens de Amerikaanse bioloog Edward O. Wilson hebben we een betere kijk op het aantal sterren in onze Melkweg en zelfs op het aantal elementaire deeltjes in het heelal dan op de biodiversiteit van onze eigen planeet. Dat zou wel eens kunnen kloppen. Eind september 2012, terwijl ik dit schrijf, speurt op Mars al bijna twee maanden een onbemande verkenner naar sporen van leven. Het Mars Science Laboratory, beter bekend als Curiosity, deed er ruim acht maanden over om de rode planeet te bereiken en zal er een jaar of vier onderzoek doen. De totale kostprijs van de missie wordt geraamd op om en bij de 2,6 miljard USD. Dit bedrag verzinkt in het niet bij de 711 miljard dollar militaire uitgaven van de Verenigde Staten in 2011 en de ruim 1,7 biljoen dollar die de wereld dat jaar in kanonnenvlees en oorlogstuig investeert. Het komt ook niet in de buurt van de zowat 50 miljard dollar officiële ontwikkelingshulp die jaarlijks in Afrika wordt gepompt en er blijkbaar grotendeels in een bodemloze put verdwijnt. De relatief beperkte kosten van Curiosity lijken me dus allesbehalve een goed argument tegen dergelijke ruimtemissies te zijn. Niettemin heeft Curiosity veel weg van een toerist die alle lokale attracties afdweilt maar nooit een voet in de musea van zijn eigen stad zet. Zouden we niet beter wat meer investeren in de inventarisatie en het behoud van de biodiversiteit op Aarde dan in de speurtocht naar buitenaards leven? Als Curiosity op Mars sporen van miljoenen jaren geleden uitgestorven leven ontdekt, zullen de champagnekurken knallen. De media zullen ons met hun zwaarste geschut bombarderen tot iedereen ervan overtuigd is dat die ontdekking echt wel groot nieuws is. Als blijkt dat in ons zonnestelsel al op minstens twee planeten leven ontstond en evolueerde, dan deed en doet het dat immers hoogstwaarschijnlijk ook op miljarden andere planeten rond miljarden andere zonnen in miljarden andere sterrenstelsels. Fijn, maar het blaast me niet omver. Het ligt, wat mij betreft, in de lijn der verwachtingen.


Stacks Image 322
Believing is seeing

"Mars wordt daarom niet alleen niet bewoond door intelligente wezens, zoals Mr. Lowell stelt, maar is absoluut ONBEWOONBAAR." (Alfred Russel Wallace)

Zes jaar voor zijn dood in 1913 publiceert Wallace
Is Mars Habitable?, één van zijn laatste en minder bekende werken. Het boek maakt brandhout van een destijds populaire theorie van de Amerikaanse astronoom Percival Lowell. Die is ervan overtuigd dat op Mars intelligente wezens met een geavanceerde technologie leven. Door zijn telescoop ziet hij op het Marsoppervlak een netwerk van gigantische, kaarsrechte kanalen en oases. Volgens hem zijn die het werk van een superieure beschaving die het water van de ijskappen aftapt om de verwoestijning van de planeet te voorkomen. Op de illustratie hiernaast staat bovenaan één van zijn ophefmakende kaarten van het irrigatiesysteem. Op de foto eronder, in 2003 door de ruimtetelescoop Hubble gemaakt, valt echter niet één kanaal te bespeuren. Belazert Lowell de boel? Nee, want veel toenmalige astronomen zien door hun telescopen eveneens lijnvormige structuren op Mars, zij het veel minder gedetailleerd. Ook Wallace twijfelt niet aan het bestaan ervan. Maar aangezien het klimaat van Mars volgens hem en de meeste wetenschappers van zijn tijd wellicht alle leven en zeker dat van complexe organismen uitsluit, moet er een natuurlijke verklaring voor zijn. Vandaag weten we dat het om een optische illusie gaat en zijn Lowells kaarten een schoolvoorbeeld van hoe een theorie of overtuiging onze waarneming kan beïnvloeden en sturen. Geloven is zien. Maar waarom voelt uitgerekend Wallace zich geroepen om Lowells theorie te weerleggen? Hij is per slot van rekening allesbehalve een autoriteit op dit vlak. Maar hij is ook geen volbloed darwinist. Tot ergernis van Darwin dicht hij de mens een aparte status toe. Homo sapiens is geen soort als alle andere. Wallace gelooft niet dat de mens louter en alleen het resultaat van een zuiver natuurlijk evolutieproces is. In de ban van het spiritisme, dat in het Victoriaanse tijdperk hoogtijdagen beleeft, raakt hij ervan overtuigd dat onze buitengewone mentale vermogens een bovennatuurlijke oorsprong hebben. Larie en apekool, meent Darwin, maar de seances die Wallace bijwoont sterken hem in zijn overtuiging. Het eindigt ermee dat hij de menselijke geest als het ultieme doel van het universum gaat beschouwen. Dit teleologisch antropocentrisme spoort uiteraard niet met het bestaan van een superieure beschaving op Mars of om het even welke andere planeet dan de Aarde. Lowell gelooft in marsmannetjes en ziet spoken. Wallace ziet spoken en gelooft niet in marsmannetjes.


Stacks Image 323
Maat voor niets

"Iedereen heeft precies zoveel ijdelheid als het hem aan verstand ontbreekt." (Friedrich Nietzsche)

Een slag in de lucht: volgens taalpuristen is dat de correcte vertaling van de Franse uitdrukking
une mesure pour rien. Een klap in het gezicht van ruim zes miljoen Vlamingen die gewoon "een maat voor niets" zeggen en een kaakslag voor bijna 17 miljoen Nederlanders die dit unheimisch gespuis blijkbaar te dom acht om een nieuwe uitdrukking te leren. Gelukkig zijn taalpuristen niet de maat van het Nederlands, net zomin als de mens echt de maat van alle dingen is. Eén van de allereerste sciencefictionverhalen waarin mensen met buitenaardse wezens worden geconfronteerd, is Micromégas. In deze filosofische vertelling van Voltaire uit 1752 belandt Micromégas, een kolossale bewoner van een gigantische planeet van Sirius die meer dan duizend zintuigen heeft, samen met een dwerg van Saturnus op een petieterig planeetje. Ze ontdekken er een minuscuul schip vol verrassend intelligente microben die zichzelf mensen noemen. Wanneer één van die microben, een theoloog aan de Sorbonne, met een piepstemmetje verkondigt dat de Summa van Thomas van Aquino bewijst dat het hele universum uitsluitend voor de mens is gemaakt, krijgen beide ruimtereizigers de slappe lach. Je zou voor minder! Ofschoon de arrogantie en de ijdelheid van sommige aardbewoners ze tegen de borst stuit, zijn ze toch onder de indruk van hun kennis en mentale vermogens. Micromégas schrijft een boek waarin hij uiteenzet hoe de wereld ineenzit en schenkt het als afscheidscadeau. Als de mensen het boek openslaan, blijken alle pagina's echter blank te zijn. Hun vijf zintuigen volstaan niet om het te lezen. Twee eeuwen vóór Haldane lijkt ook Voltaire al te vermoeden dat het universum vreemder is dan we kúnnen denken. Niettemin kan ik het niet laten om te speculeren over de inhoud van het boek van Micromégas. Wat zou de reus van het Siriusstelsel hebben geschreven? E = mc2? DNA maakt RNA maakt proteïne? Misschien, maar ik gok op iets in de trant van The Origin of Species en The Descent of Man. Voor Darwin is de mens een maat voor niets, een slag in de lucht van een doelloze, door natuurlijke en seksuele selectie voortgestuwde evolutie. Wallace kan zich daar niet bij neerleggen en reageert zoals de theoloog uit het verhaal van Voltaire en de hedendaagse creationisten of aanhangers van intelligent design. Ze ontkennen het licht van de zon en blijven geloven dat een bovennatuurlijk iets of iemand een zwak voor mensen heeft. Is ijdelheid, zoals Nietzsche beweert, omgekeerd evenredig met verstand? Veel uiterst bescheiden mensen zijn niet bijster intelligent, terwijl sommige ijdeltuiten juist buitengewoon verstandig zijn. En toch…
Stacks Image 324
In de soep

"Er was zoveel om je heen
En dat is allemaal verdwenen
En geen macht op deze aarde brengt het weer
Er zijn daar geen meikevers meer
Er zijn daar geen meikevers meer"

(Martine Bijl)

Samen met Naomi, mijn bijna 13-jarige kleindochter, luister ik op YouTube naar Er zijn daar geen meikevers meer, een liedje uit 1980 van de onvolprezen Nederlandse zangeres Martine Bijl. Het gaat om een vertaling uit het Duits van een lied van Reinhard Mey uit 1974. Als de laatste noten wegsterven, vraagt Naomi: "Opa? Een meikever, wat is dat?" Mijn hart breekt. Ik open Aperture en laat haar mijn foto's van meikevers en hun larven zien. Enge beesten, vindt ze, vooral die larven dan. Anders dan Darwin en Wallace heb ik in mijn jeugd nauwelijks belangstelling voor kevers – wat misschien verklaart waarom ik het nooit ver heb geschopt –, maar ik bewaar wel fijne herinneringen aan de jaarlijkse meikeverjacht. In de jaren 1960 krioelt het ervan. Mijn broers en ik schudden ze niet uit hagen en struiken, maar passen een andere techniek toe. De larven van meikevers brengen drie tot vier jaar in de bodem door, althans in West-Europa. De kevers verpoppen in de herfst, maar komen pas in de lente naar boven. Onder de machtige beuken aan de overkant van de Wingenesteenweg in Beernem, mijn geboorteplaats, speuren we bij valavond naar hoopjes opgetaste aarde. Met een aardappelmesje wippen we de kevers uit de grond en stoppen ze in een glazen pot met een geperforeerd schroefdeksel. Als mijn geheugen me niet in de steek laat, maken we een onderscheid tussen paters, molenaars en bakkers, afhankelijk van de mate waarin hun dekschilden wit bestoven zijn. In sommige delen van Duitsland en Frankrijk staat tot midden de jaren 1960 meikeversoep op het menu, een voorjaarsgerecht dat in die dagen zelfs in Parijse sterrenrestaurants wordt geserveerd. Volgens de meeste recepten moet je rekenen op een dertigtal kevers per persoon en smaakt deze delicatesse naar kreeftensoep. Ik zou het niet weten. Wij laten de kevers gewoon weer vrij.

Stacks Image 325
Periodieke plaag?

Begin de jaren 1970 wordt de steenweg verbreed en geasfalteerd. Er is geen plaats meer voor beuken, meikevers en spelende kinderen. Koning Auto regeert en duldt geen concurrentie. Vijfentwintig jaar lang krijg ik maar heel af en toe een meikever te zien. Ze zijn er nog wel, maar ik ga er niet naar op zoek. In de media verschijnen intussen alarmerende berichten over de forse afname van het aantal meikevers. Sommigen beschouwen ze zelfs als bedreigd. Het gebruik van frezen en chemische bestrijdingsmiddelen in de landbouw, het groenbeheer en particuliere tuinen zou de soort decimeren. Historisch onderzoek wijst niettemin ook op een langetermijncyclus. Het aantal meikevers zou om de 40 tot 50 jaar pieken om vervolgens weer snel af te nemen, misschien door een virus dat de larven aantast. Hoe dan ook: in de tuin aan de Heuvelstraat 37 worden de kevers nu elk jaar talrijker en ik tref ook steeds meer larven aan. Die voeden zich met de wortels van grassen, kruiden, struiken, bomen en andere planten. Voorlopig blijft de schade die ze aanrichten beperkt. Om het gazon, de borderplanten en de groenten in de moestuin te redden, moet ik over enkele jaren echter misschien toch weer op keverjacht. Mezelf kennende, komt er dan vast meikeversoep op tafel. Of toch minstens één keer.


Stacks Image 332
The Origin of Evolution

Darwin en Wallace hebben allebei een zwak voor kevers. Darwin maakt als jongeman een vijf jaar durende wereldreis. De expeditie van HMS Beagle confronteert hem met de exuberante soortenrijkdom van de tropen en met dieren die alleen op afgelegen eilanden leven. Wallace leest Darwins Voyage of the Beagle en is er wild van. Als professioneel verzamelaar brengt hij later zelf twaalf jaar door in Zuid-Amerika en op de eilanden van wat dan nog de Maleise archipel heet. De biodiversiteit van de tropen, de geografische spreiding van soorten en de vaak unieke populaties van eilanden overtuigt beide heren ervan dat soorten niet eenmalig geschapen en onveranderlijk zijn. Waarom zou God tienduizenden soorten kevers creëren die soms nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn of alleen op één of ander onbewoond eiland leven? Het houdt geen steek. Uiteraard worstelen ook andere natuurkenners met dezelfde vragen en geloven steeds meer wetenschappers dat soorten evolueren. Zelfs Darwins grootvader, Erasmus, is al een evolutionist. Wat zijn beroemde kleinzoon en Wallace onderscheidt, is hun antwoord op de vraag waarom en hoe soorten veranderen. Niet door overerving van eigenschappen die ze doelbewust tijdens hun leven verwerven, zoals Lamarck denkt, maar door de natuurlijke selectie van stomtoevallige mutaties die in de gegeven omstandigheden de overlevings- en voortplantingskansen verhogen. Hoe die mutaties ontstaan en waarom ze erfelijk zijn, weten Darwin en Wallace niet. Dat wordt pas duidelijk in de 20ste eeuw, wanneer darwinisme en genetica versmelten tot de nieuwe synthese of het neodarwinisme. Maar hun theorie werkt en verklaart zowel de biodiversiteit als de geografische spreiding van soorten én de opeenvolgende lagen van het bodemarchief vol uitgestorven organismen. In de oudste lagen treffen paleontologen nooit fossiele resten van mensen of andere zoogdieren aan. Er zitten zelfs geen kevers in.

Stacks Image 333
Collateral damage

"Hier en daar lagen bosjes met fruitbomen, lapjes kreupelhout en een overvloed aan plantages en rijstvelden, in de tropen stuk voor stuk woestijnen voor de entomoloog." (Alfred Russel Wallace)

Dat alle soorten gedoemd zijn om vroeg of laat uit te sterven, is een relatief recent inzicht. Veel mensen hebben het er moeilijk mee, zeker als ze beseffen dat ook
Homo sapiens een toevalstreffer van een amoreel en doelloos evolutieproces is. Ik lig er niet van wakker. Met vallen en opstaan probeer ik van mijn eigen, veel te korte leven te genieten. Maar aangezien niets mij meer genot verschaft dan de biodiversiteit van onze planeet – seks haalt niet eens de top tien, al zou ik het niet willen missen – pleit ik toch voor een maximaal behoud ervan. Desgewenst verdedig ik dit standpunt met rationele argumenten, maar ik ben me ervan bewust dat het in wezen zuiver emotioneel is. In het licht van de eeuwigheid doet het er niet toe. Voor mezelf en de komende generaties vind ik echter elke soort die nu uitsterft er één te veel. Wallace bewondert de manier waarop de Nederlanders hun wingewesten beheren en vindt de kritiek van Multatuli misplaatst. Zijn beoordeling van Max Havelaar, destijds ook in Engeland een bestseller, spreekt boekdelen: "Tot mijn stomme verbazing bleek het een heel saai en langdradig verhaal te zijn, vol uitweidingen zonder kop of staart". Ik vermoed dat de meeste mensen die het boek ooit op school moesten lezen het daarmee eens zijn. Maar hoewel Wallace de aanpak van de Nederlanders in Nederlands-Indië prijst, is hij niet blind voor de ravage die hun beschavingsijver aanricht. Hij mijdt de plantages en rijstvelden, want er zit geen leven in. Het zijn "woestijnen voor de entomoloog". Ook al schiet hij zonder scrupules orang-oetans uit oliepalmen, toch geeft Wallace af en toe al blijk van een ontluikend ecologisch bewustzijn. De tijden zijn veranderd. Een man als Wallace knalt vandaag geen primaten of paradijsvogels neer. Misschien ijvert hij zelfs voor een absoluut verbod op de handel in exotische vlinders, kevers, vogels en andere soorten. De kaalslag in het regenwoud maakt hem misselijk. Hij beschouwt een toename van de bevolking niet als een graadmeter voor de deugdelijkheid van een maatschappelijk bestel, maar pleit voor een al dan niet opgelegde geboortebeperking. Volgens een raming van E.O. Wilson uit 1993 sterven nu jaarlijks om en bij de 30.000 soorten uit. Dat zijn er meer dan drie per uur. Het cijfer wordt betwist – te hoog óf te laag! –, maar één ding is duidelijk: de Aarde beleeft momenteel de zesde massale uitstervingsgolf sinds het ontstaan van het leven, zowat 3,8 miljard jaar geleden. Boosdoener is dit keer geen meteoor, maar een ontplofte, aan vetten, suikers en status verslaafde rechtop lopende aap met een smartphone en een hoge dunk van zichzelf. Kunnen we het tij nog keren? Misschien, maar niet zonder slag of stoot. We zitten in de soep en het ergste moet nog komen.
Kever of wants?

"Al met al bemachtigde ik op Borneo circa tweeduizend verschillende soorten, die op ongeveer honderd na allemaal van dezelfde vindplaats afkomstig waren, een terrein van amper tweeënhalve vierkante kilometer." (Alfred Russel Wallace)

In de tropen verzamelt Wallace zonder al te veel moeite op één dag vaak meer verschillende soorten kevers dan ik er tot op heden in de tuin heb gezien en gefotografeerd. Er komen hier nu eenmaal veel minder soorten voor dan in de regenwouden van Zuid-Amerika en Indonesië. In België en Nederland telt de orde zelfs minder leden dan die van de
tweevleugeligen: circa 4.000 kevers versus 5.000 vliegen en muggen. De meeste mensen weten min of meer wat een kever of tor is – voor alle duidelijkheid: kevers zijn torren en torren zijn kevers! – en verwarren insecten uit deze orde dan ook zelden met andere dieren. Alleen wantsen zorgen vaak voor problemen. Veel soorten uit deze onderorde van de snavelinsecten lijken immers zo goed op kevers dat maar weinig mensen ze probleemloos uiteen kunnen houden. Een euro voor elke foto op het web van een zogenaamde kever die eigenlijk een wants is en ik hoef nooit meer te werken. Wantsen lijken op kevers zoals sommige vissen op dolfijnen en salamanders op hagedissen. Een beetje kennis volstaat om ze van elkaar te onderscheiden en een geoefend oog laat zich
Stacks Image 336

De kaneelknotswants (onder) lijkt wat op de roodkopvuurkever (boven), maar behoort samen met de cicaden en de bladluizen tot de orde van de snavelinsecten.

niet vangen. In de Lage Landen komen ruim 650 soorten wantsen voor. Toch kennen de meeste mensen er niet één bij naam. Of het zou de bedwants moeten zijn, de infame bloedzuiger die tot diep in de 20ste eeuw talloze slaapkamers onveilig maakt en de jongste jaren weer steeds vaker in hotels opduikt. Good night, sleep tight, don't let the bed bugs bite!

Stacks Image 337

De larven van de hazelaarbladrolkever (boven) lijken op maden of rupsen. Die van het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje dat hier ontpopt (midden), zijn net als hun ouders actieve rovers. Wantsen krijgen geen larven maar nimfen. Van de vuurwants (onder) tref je vaak verschillende nimfenstadia samen aan.

Kevers krijgen larven

Dat kevers en wantsen veel minder nauw verwant zijn dan je op het eerste gezicht zou denken, blijkt vooral uit de manier waarop ze zich ontwikkelen. Kevers kennen een volkomen gedaanteverwisseling. Ze zijn holometabool. Uit hun eitjes komen larven die na een aantal vervellingen verpoppen, zoals de rups van een vlinder. Wantsen zijn hemimetabool. Uit hun eitjes komen kleine wantsjes of nimfen die na elke vervelling weer wat meer op hun ouders lijken. Wantsen kennen dus geen larven- of popstadium maar ondergaan een reeks gedeeltelijke gedaanteverwisselingen. Jammer genoeg helpt dit fundamentele verschil je meestal niet om kevers en wantsen in het veld van elkaar te onderscheiden. Uitzondering zijn wantsen waarvan je de verschillende nimfenstadia en de imago's vaak samen aantreft, zoals de vuurwants. In de tuin zie ik vaak tientallen of zelfs honderden nimfen en imago's van deze soort samen op een muur of stam zonnebaden. Met wat goede wil kun je de nimfen van wantsen vergelijken met de kuikens van een kip. Ze kunnen niet vliegen, maar gedragen zich min of meer als volwassen exemplaren en eten ook hetzelfde voedsel. Keverlarven vertonen veel meer variatie. De meeste lijken op maden of rupsen en zijn weinig mobiel. Vaak leven ze in een heel andere omgeving dan de imago's, zoals een boomstam of diep in de bodem, en eten ze ook ander voedsel. Andere, zoals de larven van het
groen zuringhaantje, delen hun waardplant met volwassen exemplaren. Er zijn echter ook keverlarven die haast net zo beweeglijk en actief zijn als hun ouders. Ze kunnen niet vliegen, maar maken niettemin jacht op precies dezelfde prooien. Een bekend voorbeeld zijn de larven van verschillende soorten lieveheersbeestjes die vooral bladluizen eten. Maar één ding hebben alle keverlarven gemeen: ze zijn verschrikkelijk vraatzuchtig. Soorten die in één of ander land- of tuinbouwgewas zijn gespecialiseerd, zijn dan ook allesbehalve geliefd. Vandaag gaan we ze te lijf met chemische of biologische bestrijdingsmiddelen. In minder verlichte tijden schakelen radeloze boeren de rechtbank en God de Vader in. Zo worden de larven van meikevers in 1478 door de bisschop van het Zwitserse Lausanne tot twee keer toe gedagvaard en uiteindelijk bij verstek
vervloekt en verbannen. Enkele jaren later doen de heren van Uri een beroep op paus Alexander VI om hun kanton van de meikevers te bevrijden. De laatste meikeveruitdrijving in het overwegend katholieke deel van Zwitserland vindt plaats in 1829. Rare jongens, die Zwitsers? Misschien, maar de gewijde palmtakjes die in mijn jonge jaren de Vlaamse akkers tegen allerlei onheil moeten beschermen en die je zelfs vandaag nog af en toe ziet, stemmen me mild. Bijgeloof is blijkbaar net zo onuitroeibaar als meikevers en andere plaagsoorten. Er is geen kruid tegen gewassen.


Kevers hebben kaken

De meeste wantsen zijn platter en hoekiger dan de meeste torren. Ze lijken meer op een Chevrolet Bel Air uit 1959 dan op mijn Toyota Yaris uit 2006. Let je alleen op de vorm, dan sla je de plank niettemin vaak mis. Sommige wantsen lijken nu eenmaal meer op een Volkswagen Kever dan de meeste kevers. Hun antennes tellen doorgaans wel minder segmenten en hun voorvleugels zijn zelden volledig verhard. Met hun vaak metallisch glanzende dekschilden zien kevers er in het algemeen stukken steviger uit. Bovendien vertonen ze midden op hun rug een opvallende, kaarsrechte naad. Dat komt doordat hun dekschilden keurig naast elkaar liggen. De voorvleugels van wantsen, daarentegen, liggen over elkaar heen. Het meest frappante, haast altijd goed zichtbare verschil is dat kevers kaken hebben. Ze bijten en kauwen. Wantsen hebben een steeksnuit of rostrum. Ze steken en zuigen. Ze gebruiken hun rostrum als een injectienaald waarmee ze verteringssappen inspuiten én als een rietje waarmee ze vloeibaar gemaakt voedsel uit hun prooien, kadavers, zaden, stengels en andere plantendelen zuigen. De steeksnuit zit vlak onder de kop en wijst meestal naar achteren. Er zit doorgaans nauwelijks beweging in, al kunnen sommige soorten hun rostrum volledig naar voren klappen. Een mooi voorbeeld is de snuitkeverwants, een rover die het vooral op allerlei snuittorretjes heeft gemunt maar ook andere wantsen niet versmaadt. Hoe dan ook: zie je een insect met een rostrum, dan is dat nooit ofte nimmer een kever. De enige soorten die nog voor verwarring kunnen zorgen, zijn enkele kevertjes met een smalle, extreem lange snuit die min of meer op een rostrum lijkt. Eén van die soorten is de hazelnootboorder. De inplanting van de antennes én het feit dat de snuit altijd naar voren wijst, laten er echter geen twijfel over bestaan dat het hier wel degelijk om een kever gaat. Aan het uiteinde van de snuit zitten kleine, vlijmscherpe kaken. Daarmee knaagt het vrouwtje een gaatje in een onrijpe, groene hazelnoot. In de regel legt ze daar vervolgens één enkel eitje in. De
Stacks Image 873

Kevers, zoals het zwartpootsoldaatje (boven), hebben kaken. Wantsen, zoals de zuringrandwants (midden), hebben een steeksnuit. De hazelnootboorder (onder) is een kever. Zijn snuit is uitgerust met vlijmscherpe kaken.

larve, die een tiental dagen later uitkomt, vreet de hazelnoot leeg. Daarna boort het beest een gaatje door de intussen bruin en hard geworden notendop en wringt zich erdoorheen. Meestal is de noot dan al gevallen. De larve overwintert in de bodem om uiteindelijk, soms pas drie jaar later, te verpoppen. Sommige jaren vertoont ruim de helft van de hazelnoten die ik raap een gaatje en is hun dop haast zo leeg als Otto von Guerickes Maagdenburger halve bollen. Aangezien elk vrouwtje hooguit een veertigtal eitjes legt en er in de tuin vierentwintig hazelaars staan, moet de hazelnootboorder hier één van de meest talrijke kevers zijn. Niettemin krijg ik deze rare snuiter maar heel af en toe te zien. De soort leidt, zoals de meeste kevers, een verborgen leven.

Stacks Image 874

De zwartstip-smalboktor (boven) doet het, zoals alle kevers die ik al zag paren, op z'n hondjes. Wantsen, zoals de bessenschildwants (midden), verkiezen een heel ander standje. Schaatsenrijders (onder) zijn de uitzondering die de regel bevestigen. Deze wantsen doen het op z'n kevers.

Kevers doen het op z'n hondjes

Afgezien van de schaatsenrijders in de vijver doet niet één van de wantsen in de tuin het op z'n hondjes, het favoriete standje van de kevers. Wegens anatomisch zelfs voor slangenmensen te hoog gegrepen, staat de positie die wantsen verkiezen niet eens in de
Kamasutra. Veel handboeken en websites gewagen van een tandem. Het lijkt me niettemin beter om die term te reserveren voor de manier waarop libellen paren. Per slot van rekening kijken, trappen en rijden beide fietsers op een tandem altijd in dezelfde richting. Wantsen demonstreren een standje dat veeleer aan een enkelgelede tram met een draaistel doet denken, een harmonicatram die halverwege scharniert en in beide richtingen kan rijden. Sommige soorten, zoals de vuurwants, houden die positie uren- of zelfs dagenlang vol. Kwestie van de concurrentie geen schijn van kans te geven. Op het web stoot ik af en toe op een foto van zogenaamde kevers die een harmonicatram vormen. Bij nader toezien blijkt het dan nagenoeg altijd om keverachtige wantsen te gaan. Van de enkele uitzonderingen vind ik bovendien altijd veel meer foto's waarop ze het toch gewoon op z'n hondjes doen. Een voordeel van dat standje, althans voor de waarnemer, is dat je meteen ziet welke van de twee kevers het vrouwtje is. Zij bevindt zich altijd onderaan en is meestal zichtbaar groter dan haar partner. Parende wantsen seksen is veel minder evident. Beide delen van de harmonicatram lijken immers vaak als twee druppels water op elkaar. Hoe dan ook: zie je een harmonicatram van beestjes die op kevers lijken, ga er dan maar van uit dat het wantsen zijn.


Kevers zijn zenuwpezen

Anders dan de meeste wantsen zitten de meeste kevers geen seconde stil. Haarscherpe foto's van kevers zijn dan ook vaak foto's van dode of ernstig onderkoelde exemplaren. Kevers staan tot wantsen zoals Amerikanen tot Afrikanen of gloeilampen tot spaarlampen: ze verbruiken veel meer energie. Om optimaal te functioneren, moeten ze ontzettend veel calorieën naar binnen werken. De gevolgen laten zich
raden: terwijl de zuringrandwantsen en hun nimfen in de moestuin nauwelijks schade aanrichten, vreten de veel kleinere groene zuringhaantjes en hun larven de maagdenzuring kaal. Doordat wantsen hun voedsel grotendeels uitwendig verteren, kan hun spijsverteringsstelsel op een laag pitje draaien en produceren ze meteen ook veel minder afvalstoffen dan kevers. Er gaat minder in en er komt ook minder uit. Kevers kunnen het zich niet permitteren om op hun luie krent te zitten. Ze zijn voortdurend op zoek naar voedsel, vliegen of rennen van hot naar her en verkiezen veelal een snelle wip boven een uitgebreide vrijpartij. Zelfs terwijl ze aan het eten zijn, blijven deze ADHD-rakkertjes voor de macrofotograaf vaak toch lastige modellen. Nerveus zwiepen hun voelsprieten heen en weer. Ze bijten, knagen, kauwen en hiphoppen in het rond als hyperactieve b-boys op kokendheet asfalt. Bovendien kiezen veel kevers bij de minste verstoring het hazenpad. Veel tijd om een foto te maken, gunnen ze je meestal niet. Het is focussen, kadreren en afdrukken. Maar eerst moet je ze zien te vinden…
Stacks Image 875
Lathe biosas!

"Leef in het verborgene!" (Epicurus)

De paar duizend keversoorten die Wallace in de Maleise archipel verzamelt, vertegenwoordigen slechts een fractie van het totale aantal soorten dat de eilanden herbergen. Hij vangt ze met een netje of gewoon met de hand, altijd overdag. Hij gebruikt geen kevervallen en klimt nooit in een boom. Zijn indrukwekkende collectie omvat dan ook vooral relatief grote, opvallende kevers die ook overdag actief zijn en op de bodem of min of meer op ooghoogte leven. Dat geldt ook voor het leeuwendeel van het vijftigtal soorten kevers dat ik tot op heden (november 2012) in de tuin kon fotograferen. Het zijn vooral soorten die bloemen en kruiden bezoeken of jacht maken op prooien die erop leven. Een mooi voorbeeld zijn de verschillende soorten lieveheersbeestjes, samen goed voor bijna 25 procent van de soortengalerij.

Stacks Image 876

Het zevenstippelig lieveheersbeestje (boven) is één van de meest algemene kevertjes in de tuin. Maar ook het zeldzame veertienvleklieveheerstbeestje (midden) duikt hier af en toe op. Beide soorten jagen op bladluizen. Het citroenlieveheersbeestje (onder) is één van de lieveheersbeestjes die van meeldauw leven.

Epicurus versus Onze-Lieve-Heer

De Griekse wijsgeer
Epicurus raadt zijn volgelingen aan om de openbaarheid te schuwen. Hij pleit voor een teruggetrokken, verborgen leven, bij voorkeur in het gezelschap van vrienden en vriendinnen. Lathe biosas! Epicurus formuleert dit devies zowat 300 jaar vóór het begin van onze tijdrekening met de (fout gedateerde) geboorte van een man die het compleet in de wind slaat. Jezus van Nazareth zet zichzelf in de schijnwerpers. Volgens de overlevering trekt hij op zijn 33ste naar Jerusalem, maakt amok en wordt uiteindelijk publiek veroordeeld en terechtgesteld. Hij wordt, letterlijk en figuurlijk, aan het kruis genageld. Zijn al dan niet op ware feiten gebaseerde levensverhaal ligt mee aan de basis van een in wezen weerzinwekkende cultus van het lijden, de zelfkastijding en het martelaarschap. Epicurus wil de mens bevrijden van zijn infantiele angst voor goden en demonen. In zijn illustere Tuin in Athene is het hoogste goed een onthecht, contemplatief leven zonder vrees voor de dood en met een minimum aan lichamelijk en geestelijk lijden. Het christendom, daarentegen, jaagt zijn boetvaardige volgelingen de daver op het lijf met een geschifte, sikkeneurige sm-meester die totale onderwerping eist. Hij slaat meer dan hij zalft. Pijn is fijn. Lijden loutert. De Tuin van Epicurus staat tot de Kerk van Jezus zoals een lusthof tot een kerker.


Discreet versus open en bloot

Zonder enige twijfel komen in de tuin veel meer soorten kevers voor dan het vijftigtal dat ik er tot nu toe kon fotograferen. Maar terwijl de veelal vrolijk gekleurde lieveheersbeestjes meteen in het oog springen, leven de meeste andere kevers volgens het motto van Epicurus. Ze leven in het verborgene, worden vaak pas na zonsondergang actief en slaan bij het minste onraad bliksemsnel op de vlucht. Bij werkzaamheden in de tuin – spitten, snoeien, maaien, mulchen, zaaien, planten, wieden, harken, oogsten of composteren – krijg ik ze af en toe heel even te zien, zelden langer dan enkele seconden. Om ze te fotograferen en te determineren, zal ik ze moeten vangen. Met de hand of een netje,
zoals Wallace, maar ook met allerlei kevervallen. Het fotograferen en determineren van soorten die wel open en bloot leven – niet alleen kevers, maar ook planten, zwammen en andere dieren –, kost me vandaag echter al zoveel tijd en moeite dat het nog wel enkele jaren zal duren voor ik daaraan toekom. Ik kijk ernaar uit, want ofschoon kevers me destijds helemaal niet boeiden, ben ik er inmiddels door gefascineerd. Een late roeping? Zo zou je het kunnen stellen. In elk geval te laat om nog "een indicatie van toekomstig succes in het leven" te zijn.
Stacks Image 877
Stacks Image 878

Bronnen en links naar meer informatie

  • Thomas Aquinas, Summa Theologica, Christian Classics, 1981 (html).
  • Martine Bijl, Martine Bijl, Ariola, 1980 (tekst van Er zijn daar geen meikevers meer en lied op YouTube).
  • Bill Bryson, At Home, Doubleday, 2010.
  • Lewis Carroll, The Penguin Complete Lewis Carroll, Penguin Books, 1982.
  • Charles Darwin, Autobiographies, Penguin Classics, 2002.
  • Charles Darwin, The Descent of Man, Dover Publications, 2010 (html).
  • Charles Darwin, The Origin of Species, Penguin Classics, 1987 (html).
  • Charles Darwin, Voyage of the Beagle, Penguin Classics, 1989 (html, pdf Nederlandse vertaling (230 MB)).
  • Paul Davies, The Goldilocks Enigma – Why is the Universe just Right for Life?, Penguin Books, 2007.
  • Stephen Jay Gould, Dinosaur in a Haystack, Penguin Books, 1997.
  • J. B. S. Haldane, Possible Worlds, Transaction Publishers, 2001.
  • Stephen Hawking, Einsteins droom – Beschouwingen over verleden en toekomst van het heelal, Uitgeverij Bert Bakker, 1993.
  • Stephen Hawking, Het heelal – Verleden en toekomst van ruimte en tijd, Uitgeverij Bert Bakker, 1990.
  • International Institute for Species Exploration, Retro SOS 2000-2009 – A Decade of Species Discovery in Review, Arizona State University, 2012 (pdf).
  • International Institute for Species Exploration, SOS 2011 – State of Observed Species, Arizona State University, 2012 (pdf).
  • Jos. A. Massard, Maikäfer in Luxemburg: Historisches und Kurioses, Lëtzebuerger Journal, 2007 (pdf).
  • Reinhard Mey, Wie vor Jahr und Tag, Intercord, 1974 (tekst van Es gibt keine Maikäfer mehr).
  • Multatuli, Max Havelaar – of de koffieveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, Ad. Donker, 1977.
  • Friedrich Nietzsche, Werke in Drei Bänden, Carl Hanser Verlag München, 1982.
  • Peter Raby, Alfred Russel Wallace: A Life, Princeton University Press, 2002.
  • Jelle Reumer, De ontplofte aap – Opkomst en ondergang van de mens, Uitgeverij Contact, 2005.
  • Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI), The 15 countries with the highest military expenditure in 2011, (pdf).
  • Voltaire, Romans et Contes, Garnier Frères, 1960 (pdf van Micromégas; Nederlandse vertaling).
  • Alfred Russel Wallace, Het Maleise eilandenrijk, Olympus, 2010.
  • Alfred Russel Wallace, Is Mars Habitable? – A Critical Examination of Professor Lowell's Book "Mars and Its Canals," With an Alternative Explanation, The Alfred Russel Wallace Page, 2012.
  • Alfred Russel Wallace, On the Tendency of Varieties to Depart Indefinitely from the Original, The Alfred Russel Wallace Page, 2012.
  • Edward O. Wilson, Het Veelvormige Leven, Uitgeverij Contact, 1994.
Geraardsbergen, 11 november 2012.
Laatst aangepast op 27 augustus 2014.