Rubriek-Insecten
Stacks Image 271
Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd. Hij lag op zijn hardgepantserde rug en zag, als hij zijn hoofd enigszins optilde, zijn gewelfde bruine, door boogvormige geledingen verdeelde buik, waarop de deken, op het punt omlaag te glijden, nauwelijks houvast kon vinden. Al zijn, in vergelijking met zijn overige omvang, zielig dunne pootjes flikkerden hulpeloos voor zijn ogen. (Franz Kafka)
Stacks Image 279
Triniteit

Ze hebben allemaal een kop, een borststuk met zes poten en een achterlijf. Maar afgezien van die lang niet altijd even duidelijke drie-eenheid lijken volwassen insecten vaak minder op elkaar dan een haai op een vleermuis of een mens op een kip. Met zowat een miljoen bekende en wellicht nog minstens evenveel onbekende soorten – sommige ramingen komen uit op om en bij de twintig of zelfs dertig miljoen! – vormen ze veruit de grootste klasse van het dierenrijk. Ter vergelijking: wereldwijd leveren alle bekende zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen en vogels samen niet eens honderdduizend soorten op. Amper negenhonderd daarvan komen ook in België en Nederland voor, waarvan minder dan de helft inheems. Vergelijk dat met de ruim achttienduizend inheemse soorten insecten die de Lage Landen bevolken en het is meteen duidelijk dat ze ook in de tuin aan de Heuvelstaat 37 echt wel
een klasse apart zijn.


Maja het misbaksel

Vraag iemand om aan een willekeurig dier te denken en de kans dat hij of zij spontaan aan een insect denkt is nagenoeg nul. Vreemd, want er zijn niet alleen ontzettend veel soorten insecten, haast elke soort telt bovendien miljoenen dan wel miljarden tot zelfs biljarden individuen. Als je een dier ziet, is dat haast altijd een insect. In de natuur, welteverstaan. In de afdeling knuffeldieren van de speelgoedwinkel zijn insecten juist extreem ondervertegenwoordigd. Je ziet er hooguit een eenzaam lieveheersbeestje, een pootloze fantasievlinder en af en toe een ernstig gehandicapte honingbij. Die laatste heet dan meestal Maja. Ze heeft maar vier poten, mist een borststuk en bezit slechts één in plaats van de voor bijen gebruikelijke twee paar vleugels. Dat is niet altijd zo geweest. In 1912, wanneer Die Biene Maja und ihre Abenteuer van de Duitse auteur Waldemar Bonsels verschijnt, ziet Maja er nog perfect normaal uit. Geleidelijk aan krijgt ze echter steeds meer menselijke trekjes. Eerst gaat ze rechtop lopen, vervolgens krijgt ze een kindersnoetje en uiteindelijk verliest ze ook een stel vleugels en twee poten. Haar bolle kop is nu haast even groot als de rest van haar lijf en haar ogen staan naar voren gericht. Geen twijfel mogelijk: Maja is veranderd in een piepjong mensenmeisje met vleugeltjes en twee knopspelden in haar hersenpan. In De duim van de panda wijst de betreurde Amerikaanse paleontoloog Stephen Jay Gould op een gelijkaardige, zij het minder ingrijpende evolutie bij Mickey Mouse. In beide gevallen is sprake van een doorgedreven verkleutering. Dat is geen toeval. De meeste mensen vinden baby's en kleuters nu eenmaal onweerstaanbaar schattig en voelen zich aangetrokken tot alles wat er enigszins op lijkt. Van koala's en panda's tot puppy's en kittens: ze doen ons allemaal smelten. Maar bijen? Nee, daar houden we niet van. Lieveheersbeestjes en dagvlinders kunnen velen nog charmeren, maar alle andere
Stacks Image 280

In minder dan honderd jaar evolueert Maja van een anatomisch correcte bij naar een gevleugeld blondje met de lichaamsbouw en de fysionomie van een kind.

insecten laten haast iedereen siberisch, inclusief het gros van de zelfverklaarde dierenvrienden. Om wereldwijd de harten te veroveren, kreeg Maja dan ook een complete make-over. Anatomisch en misschien ook wel pedagogisch is het arme beest nu ongeveer zo verantwoord als een albatros met de kop van een nijlpaard, de poten van een krokodil en de kont van een loopse baviaan. Nu zijn insecten op het vlak van metamorfoses wel wat gewend, maar dit is erover. Vanuit het standpunt van een bij is Maja een monster. De Gregor Samsa van de bijenkorf.


Stacks Image 281
Wir müssen es loszuwerden suchen

Je ontwaakt en stelt vast dat je in een reusachtig insect bent veranderd. Het overkomt Gregor Samsa, het hoofdpersonage van De gedaanteverwisseling, één van de bekendste werken van Franz Kafka. Met een paard, een struisvogel, een schildpad of zelfs een gigantische kikker zouden Gregors ouders en zus zich misschien nog kunnen verzoenen. Maar een monstrueuze mestkever? Die zijn ze liever kwijt dan rijk. Als Gregor uiteindelijk van de honger en ellende crepeert, is de opluchting groot. Opgeruimd staat netjes! Dat Kafka zijn onfortuinlijke held uitgerekend in een insect laat veranderen – iets wat overigens niet met zoveel woorden in de tekst staat –, hoeft ons niet te verbazen. Veel insecten ondergaan in de loop van hun leven immers echt een volkomen gedaanteverwisseling. In menig opzicht heeft een kever zelfs meer van een mens dan een rups van een vlinder of een made van een vlieg. Bovendien is de aaibaarheidsfactor van nagenoeg alle insecten ongeveer zo negatief als het absolute nulpunt uitgedrukt in graden Celsius. We vinden ze weerzinwekkend. Om de kijkbuiskinderen in te palmen, wordt Maja de bij een meisje; om zijn familie tot wanhoop te drijven, verandert Gregor Samsa in een insect. "We moeten ervan af zien te komen", zegt zijn radeloze zus na de zoveelste beproeving. Gelukkig treffen ze hem 's anderendaags levenloos in zijn kamertje aan. Het gezin herademt, maakt verhuisplannen en ziet de toekomst weer vol vertrouwen tegemoet. Net zoals de tientallen B-horrorfilms met moordzuchtige bijen, kolossale roofmieren, bloeddorstige wespen, gemuteerde vliegen, monsterlijke muggen en genetisch gemanipuleerde kakkerlakken speelt ook De gedaanteverwisseling volop in op onze diepgewortelde afkeer van zowat alles wat zich op zes poten verplaatst. We krijgen er de kriebels van. Meedogenloos gaan we insecten te lijf met spuitbussen, mottenballen, geurkaarsen, muggenstekkers, lijmvallen, elektrocutieroosters, vliegenmeppers en schoenzolen. Desnoods zetten we zelfs sproeivliegtuigen in. De oude Egyptenaren aanbaden scarabeeën en veel jugendstilkunstenaars waren wild van vlinders en libellen. Sommige insecten zijn in sommige culturen op sommige momenten dus toch behoorlijk populair. Maar het blijven uitzonderingen die de regel bevestigen. In 2002 liet de Belgische kunstenaar Jan Fabre het plafond en een kroonluchter van de spiegelzaal van het Koninklijk Paleis van Brussel met de dekschilden van zowat anderhalf miljoen Thaise juweelkevers bekleden. Kunst, kitsch of megalomane huisvlijt? In elk geval een massamoord en het zoveelste bewijs dat insecten ons absoluut niet aan het hart gebakken zijn.

PijlTop

Stacks Image 282
Metamorfose

"Nu rest me nog maar één metamorfose, hopelijk pas over nog eens een kwarteeuw, de laatste gedaanteverwisseling, u weet wel, dat je op een ochtend wakker wordt en dat je merkt dat je dood bent." (Midas Dekkers)

Kinderen zijn mensenlarven. Als ze een jaar of twaalf zijn, trekken ze zich in hun puberkamer terug om te verpoppen. Pa en ma houden hun hart vast. Je weet maar nooit wat er enkele jaren later uit die kamer tevoorschijn komt. Als het eindelijk zover is, is dat haast altijd een ontgoocheling. Geen mensenimago of er schort wel wat aan. Maar pa en ma hebben niet te kiezen. Ze zijn al blij dat er niet plots een mestkever mee aan tafel zit. De Amerikaanse antropologe Margaret Mead oogstte ooit roem met de bewering dat de puberteit een soort westerse uitvinding was. Primitieve volkeren, zoals die van de Samoa-eilanden, hadden er geen last van. Intussen weten we dat Mead zich in de luren liet leggen. Niet alleen door een stel Samoameiden met een oververhitte verbeelding, maar vooral door haar eigen vooroordelen. Een bioloog als Midas Dekkers laat zich niet zo makkelijk om de tuin leiden. Dat komt niet doordat hij zoveel verstandiger is – Margaret Mead was juist buitengewoon intelligent –, maar doordat hij op dezelfde manier naar mensen als naar andere dieren kijkt.


Stacks Image 283
Attention: balles perdues!

Geen enkel dier komt als een volwassen exemplaar van zijn eigen soort ter wereld en de overgang gaat altijd gepaard met een doorgaans allesbehalve ongecompliceerde gedaanteverwisseling. Samoa, Amerika, Nederland of België: pubers zijn altijd en overal het haasje. "Ik ben geen kind meer!" schreeuwt zoonlief als pa en ma hem weer eens volkomen terecht berispen. Hij vliegt de trap op, slaat de deur van zijn volstrekt smakeloos ingerichte cocon dicht en zweert dat hij nooit zo saai, ouderwets en burgerlijk als zijn ouders zal worden. Twintig jaar later, wanneer hij vaak zelf al pubers heeft, is hij dat uiteraard meestal wel. Gelukkig maar, want pubers zijn ongeleide projectielen. Ze nemen onverantwoorde risico's, zijn eigenwijs, doen aan comazuipen en onveilig vrijen, experimenteren met partydrugs, vallen blindelings in de klauwen van sekten, goeroes, terroristen, charlatans en marketeers, plegen al dan niet collectief zelfmoord of gaan naar school met een halfautomatisch pistool in hun trendy boekentas. De hel is een wereld waarin pubers en zogenaamde jongvolwassenen het voor het zeggen hebben. Haal alle achttien- tot vijfentwintigjarigen uit de gevangenis en je hebt meteen weer plaats zat. Volgens de Nederlandse neurobioloog
Dick Swaab komt dat onder meer doordat hun prefrontale cortex, het voorste deel van de hersenschors dat impulsief gedrag onderdrukt en moreel gedrag bevordert, nog niet helemaal af is. Gecombineerd met een extra dosis testosteron levert dat een behoorlijk explosieve cocktail op. Op hun zestiende zijn de meeste kinderen wel al geslachtsrijp, maar nog lang niet hersenrijp. Dat duurt nog minstens een jaar of zeven. Dick Swaab verzet zich dan ook met klem tegen de populistische roep om de leeftijd waarop kinderen als volwassenen worden beschouwd, behandeld en vooral berecht te verlagen. Op je achttiende ben je nog niet volwassen, laat staan op je zestiende of nog jonger. Je meet je misschien wel een imago aan, maar je bent nog altijd een nimf.


Stacks Image 284
Hemi- of holometabool

Uit een insecteneitje kunnen twee dingen komen: een larve of een nimf. De meeste nimfen lijken al een beetje op hun ouders, zoals een kuiken op een kip of een baby op een mens. Toch hebben ze, zoals de kakelverse groene stinkwantsjes op de foto hiernaast, nog een lange weg te gaan. Na elke vervelling groeien ze een beetje en vertonen ze steeds meer kenmerken van een volwassen exemplaar of imago. Insecten die zo'n reeks gedeeltelijke gedaanteverwisselingen ondergaan, worden
hemimetabool genoemd. Larven, zoals vliegenmaden of vlinderrupsen, lijken helemaal niet op hun ouders. Hoe vaak ze ook vervellen en groeien, ze hebben meer weg van een worm dan van een insect. Veel larven hebben niet eens pootjes. Maar dan gebeurt er iets bijzonders: de larve wordt een pop en uit die pop komt op een mooie dag een kant-en-klaar volwassen insect. Deze holometabole soorten ondergaan een volkomen gedaanteverwisseling: een cilindervormig zakje blubber verandert in één keer in een imago met alles erop en eraan. Voor karamellenversenschrijvers en andere ulevellenrijmelaars is die totale metamorfose al eeuwenlang gefundenes Fressen. Ze worden met name lyrisch van vieze, harige rupsen die in oogstrelende, frêle vlinders veranderen. Uit larven als maden die bromvliegen of engerlingen die meikevers worden, putten ze zelden inspiratie. Hun gedaanteverwisseling is net zo volkomen en indrukwekkend, maar laat poëtische zielen niettemin onberoerd. Wat hebben vlinders dat andere insecten niet hebben? Waarom zijn er zoveel vlinderaars en zo weinig wespenaars, keveraars of vliegenaars? Muggen meppen we genadeloos de eeuwige steekvelden in. Geen haan die ernaar kraait. Maar waag het niet om tussen duim en wijsvinger een vlinder te pletten. Dan sta je immers al snel te boek als een volstrekt gevoelloze, psychopathische proleet. Wil je de verkaveling van een stuk braakland voorkomen, dan is de aanwezigheid van een zeldzame vlinder een uitstekend argument. Met een even zeldzame zweefvlieg red je het niet. Vlinders hebben een streepje voor.

Stacks Image 285
Van vreetzak tot seksmaniak

Vlinders zijn seksmachines. Veel soorten zijn zo door seks geobsedeerd dat ze niet of nauwelijks meer eten. Sommige hebben niet eens een mond! Dat geldt niet voor de dagpauwoog op de foto hiernaast. Die bezoekt bloemen om nectar te tanken. Vliegen vergt immers heel wat brandstof. Vlinders vliegen niet om te eten, maar eten om te vliegen en zich voort te planten. Daarna zit hun taak erop. De meeste vlinders fladderen dan ook hooguit enkele weken rond. Ze zingen het als imago veel minder lang uit dan als rups. Hetzelfde geldt voor de meeste andere holometabole insecten, met de eendagsvlieg als spreekwoordelijk extreem. Maar ook talloze hemimetabole insecten, zoals waterjuffers en echte libellen, zijn veel langer nimf dan imago. Terwijl de meeste volwassen insecten alleen aan seks denken, denken hun larven of nimfen alleen aan eten. Ze moeten immers groeien. En dat kost meer tijd dan een snelle wip.

PijlTop

Stacks Image 286
Niet omnipresent

Van pool tot evenaar, van de hoogste bergen tot de diepste dalen, van zandwoestijnen tot moerasgebieden: insecten zitten overal. Ook in de tuin aan de Heuvelstraat 37 laten ze geen plekje onbenut. Van hoog in de bomen tot diep in de bodem en alles daartussen: het wemelt ervan. Zelfs de vijver en het wateroppervlak worden door tientallen soorten insecten en hun larven of nimfen bewoond. Toch zijn insecten allesbehalve alomtegenwoordig. Oceanen en zeeën, goed voor ruim zeventig procent van het aardoppervlak, zijn nagenoeg insectenvrij. Er zijn zeezoogdieren, zeevogels en zeereptielen. Walvissen en robben, albatrossen en pinguïns, zeeleguanen en lederschildpadden vonden de weg naar zee terug. Maar afgezien van een vijftal soorten vleugelloze tropische schaatsenrijders van het geslacht
Halobates leverde ruim 350 miljoen jaar evolutie geen zee-insecten op. De zeeschaatsenrijders in kwestie brengen hun hele leven op de open zee door. Ze leven van dierlijk materiaal dat aan de oppervlakte drijft en zetten hun eitjes af op veren, drijfhout en in toenemende mate op plastic. Net zoals alle andere schaatsenrijders kunnen ze echter niet duiken. Hun biotoop is dan ook niet echt de open zee, maar een flinterdun laagje lucht net boven het water. Hun wereld is bijna tweedimensionaal. Zijn de oceanen te zout? Voor amfibieën wel, maar zeker niet voor insecten. Integendeel: in extreem zoute meren zijn ze juist vaak dominant aanwezig. Volgens de meeste biologen komt dat doordat dergelijke meren te zout zijn voor vissen en schaaldieren. Daardoor hebben insecten er niet alleen geen vijanden, maar ook geen concurrenten. In de oceaan is dat wel even anders. Het krioelt er van de roofzuchtige vissen en elke niche die insecten er zouden kunnen innemen is al door andere, perfect aangepaste geleedpotigen bezet. Bovendien kunnen volwassen insecten niet veel dieper dan een meter of tien duiken zonder in ademnood te komen. Anders dan kreeftachtigen kunnen ze daardoor niet aan hun vijanden ontkomen. Aangezien in diepe meren met een behoorlijk visbestand nauwelijks insecten te vinden zijn, lijkt inderdaad vooral hun ademhalingssysteem te voorkomen dat ze ook de open zee veroveren. Maar zeg nooit nooit.


Stacks Image 287
Een vlieg kan niet muggen

Een nietmachine niet, maar een naaimachine niet! Een appel kun je opeten, maar een peer wél! Een mug kan vliegen, maar een vlieg kan niet muggen! De meeste kinderen zijn dol op wat-is-het-verschilraadseltjes met een enigszins absurde oplossing. Volwassenen vinden ze doorgaans veel minder of zelfs helemaal niet leuk. Hoe dat komt, laat ik in het midden. Feit is dat muggen inderdaad kunnen vliegen, net zoals libellen, vlinders, bijen en de meeste kevers, wantsen en andere volwassen insecten, inclusief uiteraard alle vliegen. Miljoenen jaren vóór de evolutie van vogels, vleermuizen en jumbojets kozen insecten het luchtruim. De meeste soorten beschikken daarvoor over twee paar vleugels, al bewijzen vliegen en muggen dat één paar volstaat, zelfs voor de meest acrobatische stunts. Nogal wat insecten, zoals vuurwantsen, hebben wel vleugels, maar kunnen net als pinguïns of struisvogels toch niet vliegen. Bij de mieren kunnen alleen de mannetjes en de koninginnen dat. Tijdens de bruidsvlucht vervullen de mannetjes hun conjugale plicht om dan spoedig te sterven. De bevruchte koninginnen verliezen hun vleugels en starten een nieuwe kolonie. Sommige insecten, zoals hondenvlooien en schaamluizen, speelden hun vleugels in de loop van hun evolutie kwijt. Waarom energie stoppen in de constructie van vleugels als je toch op en van een uiterst mobiele gastheer leeft? Andere insecten, zoals rotsspringers en zilvervisjes, hebben nooit vleugels gehad. Volgens sommige taxonomen horen deze uiterst primitieve soorten dan ook niet thuis in de klasse van de insecten. Daar valt heel wat voor te zeggen, ook al omdat ze geen echte gedaanteverwisseling kennen. Ze komen als een vrijwel volmaakte miniatuurversie van hun ouders ter wereld en blijven hun leven lang vervellen en groeien. Wereldwijd gaat het om slechts enkele honderden soorten. Hoewel er voor de verbluffende rijkdom aan insectensoorten verschillende verklaringen zijn, speelde de evolutie van vleugels ongetwijfeld een belangrijke rol. Niet voor niets zijn er ook haast twee keer zoveel vogel- als zoogdiersoorten en is één op vijf soorten van die laatste klasse een vleermuis. Dieren die het vliegen onder de knie hebben, veroveren nu eenmaal makkelijker nieuwe gebieden en raken sneller geïsoleerd van hun soortgenoten. Vervolgens doen genetische drift en natuurlijke selectie hun werk en kunnen relatief snel nieuwe soorten ontstaan. Vliegen geeft evolutie vleugels.

PijlTop

Stacks Image 288
Elk voordeel heb z'n nadeel

Elke acteur die ooit op de toneelschool een insect moest vertolken – een klassieke oefening waarvan het nut mij ontgaat – zal het beamen: het valt niet mee om je in te leven in een vlieg, een vlinder of een wants. Dat komt doordat we ons met de beste wil van de wereld niet kunnen voorstellen hoe insecten hun omgeving ervaren. Ze zien, voelen, proeven, ruiken en horen totaal anders dan een mens. Ze zien andere kleuren, voelen andere texturen, proeven andere smaken, ruiken andere geuren en horen andere geluiden. Hun zintuigen creëren een wereld die voor ons verborgen blijft. Bovendien zijn ze vanuit ons standpunt binnenstebuiten gekeerd. Een mens is een in huid verpakte verzameling spieren, vet en andere weefsels rond een geraamte van kalk en collageen. Een insect is een weke massa in een uitwendig skelet van chitine. Zo'n exoskelet heeft het voordeel dat de hardste delen aan de buitenkant zitten, zodat insecten minder kwetsbaar zijn. Ze zijn als het ware gepantserd. Maar zoals de beroemde Nederlandse filosoof en voetbalvirtuoos
Johan Cruijff ooit opmerkte: "Elk voordeel heb z'n nadeel." Eén van de nadelen van een exoskelet is dat insecten nooit veel groter kunnen worden dan de reuzenlibellen uit het carboon, zowat 300 miljoen jaar geleden. De zwaartekracht laat dat niet toe. Een insect zo groot als een kat zou onder zijn eigen gewicht bezwijken, zoals een ruggengraatloze ridder in een loodzwaar harnas.


Stacks Image 289
Gigantisch kleine reuzen

Het grootste insect aller tijden was wellicht Meganeura monyi. Deze prehistorische libel had een lengte van zowat 40 cm, een spanwijdte van ruim 70 cm en een gewicht van misschien wel 150 gram. Dat is ruim twee keer zo zwaar als de hedendaagse recordhouder, een wanschapen exemplaar van de Nieuw-Zeelandse reuzenweta Deinacrida heteracantha. Volwassen reuzenweta's wegen hooguit 19 gram, maar vrouwtjes halen vlak voor ze eitjes leggen iets meer dan 40 gram. Het record van 71 gram staat op naam van een abnormaal vrouwtje dat wel eitjes produceerde maar ze om de één of andere reden niet afzette. De titel van grootste insect ter wereld komt dan ook eerder toe aan een vijftal gigantische kevers. Met 16,7 cm haalt de boktor Titanus giganteus moeiteloos de grootste lengte. Nu zijn er lintwormen die meer dan 30 meter lang kunnen worden, maar niemand zal beweren dat deze parasieten groter zijn dan de walvissen waarin ze leven. Lengte is niet alles; volume is minstens zo belangrijk. Hou je ook rekening met de omvang en het gewicht, dan zijn enkele bladsprietkevers van de geslachten Goliathus en Megasoma ernstige kandidaten. De titelstrijd blijft echter onbeslist. Het valt niet mee om het volume en het gewicht van een insect objectief te bepalen en de verschillen tussen normale exemplaren van dezelfde soort zijn soms erg groot. Algemeen kunnen we hooguit stellen dat alle hedendaagse volwassen insecten kleiner zijn dan 17 cm en niet meer dan 35 gram wegen, tenzij het om zwangere vrouwtjes gaat. Ter vergelijking: de meikever op de foto hierboven, toch één van de grootste kevers van de Lage Landen, is kleiner dan 3 cm en weegt zowat 2,7 gram.


Stacks Image 290
Grenzen aan de groei

De grootste nog levende libel ter wereld, de Australische oerlibel Petalura ingentissima, is ruim 12 cm lang en heeft een spanwijdte van 16 cm. Indrukwekkend, maar toch niet zo heel veel groter dan Anax imperator, de grote keizerlibel op de foto hiernaast. Die is ruim 8 cm lang en heeft een spanwijdte van om en bij de 11 cm. In de tuin aan de Heuvelstraat 37 is deze libel dan ook veruit het grootste en meest opvallende insect. Vergeleken met een prehistorisch monster als Meganeura monyi is de grote keizerlibel echter een dwerg. Waarom zijn er vandaag geen reuzenlibellen en andere echt gigantische insecten meer? De meeste biologen zijn het erover eens dat ook hier vooral het ademhalingssysteem roet in het eten gooit. De lucht die wij inademen bevat gemiddeld 21 procent zuurstof. Tijdens het carboon, toen reuzenlibellen en gigantische haften het luchtruim beheersten, zou dat 35 procent zijn geweest. Daardoor konden insecten toen veel groter worden dan vandaag zonder in ademnood te raken. In onze relatief zuurstofarme atmosfeer zou een reus als Meganeura monyi simpelweg stikken. Bovendien raakte de wereld intussen bevolkt met insectenetende reptielen, vogels, zoogdieren en andere soorten met een inwendig skelet en longen. Stuk voor stuk dieren die veel minder snel op de grenzen van het fysisch mogelijke stuiten en waarvan zelfs de grootste soorten vaak nog altijd uiterst behendig en vinnig zijn. Maar hoe petieterig de meeste insecten ook zijn, droog aan de haak wegen ze per definitie meer dan alle insectivoren samen. Anders kwamen die immers om van de honger. Misschien overtreft de biomassa van insecten zelfs die van alle andere landdieren, inclusief de recentelijk ontplofte aap Homo sapiens. Als het klopt dat alleen al mieren en termieten samen ruim dertig procent van de dierlijke biomassa van het Amazonewoud vertegenwoordigen en wereldwijd misschien wel vijftien procent van de totale biomassa van alle landdieren, dan is dat niet uitgesloten. Voorzichtigheid blijft niettemin geboden. Cijfers over een klasse waarvan de ramingen van het aantal soorten met liefst 29 miljoen uiteenlopen, neem je best met een flinke korrel zout. Maar of er in de toonbank van Slagerij Aarde nu voor elke kilo mens 30 dan wel 300 kilo insect ligt, één ding staat vast: insects rule! En dat zullen we geweten hebben.

PijlTop

Stacks Image 291
The Good, the Bad and the Ugly

"Toen strekte Mozes zijn staf over het land Egypte uit, en de Here bracht een oostenwind over het land, gedurende die gehele dag en de gehele nacht, en toen het morgen geworden was, voerde de oostenwind de sprinkhanen mee. Zo kwamen de sprinkhanen op over het gehele land Egypte en streken in het gehele gebied van Egypte in massa neer; nooit tevoren was er zulk een sprinkhanenzwerm geweest en nooit nadien zal er meer zo een zijn." (Exodus 10: 13-14)

Hoe je het ook draait of keert, naar hedendaagse normen is de God van de joden, de christenen en de moslims een gevaarlijke gek en een oorlogsmisdadiger. De overgrote meerderheid van zijn huidige volgelingen – de rest bombardeert vluchtelingenkampen, maait het personeel van abortusklinieken neer of blaast zichzelf en liefst zoveel mogelijk omstanders op – wordt daar ongaarne aan herinnerd. De genocides en moordpartijen waarvoor hun God volgens de eigen overlevering verantwoordelijk is, doen veel gelovigen dan ook af als door mensen verzonnen fabeltjes. Waarom ze dat niet meteen ook met de rest van hun Tenach, Bijbel of Koran doen, is me een raadsel. Het spreekwoord ten spijt, gooi je sommige kinderen toch beter met het badwater weg. De achtste plaag waarmee de Almachtige in zijn goedertierenheid alle Egyptenaren voor de koppigheid van één man straft, een nooit geziene sprinkhanenplaag, is een knap staaltje van biologische oorlogvoering. Of je het verhaal nu gelooft of niet, het boek
Exodus is één van de oudste bronnen die duidelijk maken dat het tussen de mensheid en een hoop insecten al heel lang niet wil boteren. Geen wonder, want sinds het ontstaan van de landbouw zowat 10.000 jaar geleden, zijn insecten veruit onze belangrijkste voedselconcurrenten. Ondanks de massale inzet van pesticiden vernielen ze ook vandaag nog een aanzienlijk deel van de wereldoogst. De cijfers lopen sterk uiteen en verschillen van gewas tot gewas, maar 15 procent is een conservatieve raming. Onze monoculturen geven insecten uiteraard de pap in de mond. Maar ook in een ecologische moestuin kunnen heel wat soorten een bron van ergernis zijn. Je moet ermee leren leven.


Stacks Image 292
Ten aanval!

Een boer of tuinder van de oude stempel kent maar drie soorten insecten: nuttige, schadelijke en de rest. Die laatste categorie laat hem onverschillig. De tweede baart hem zorgen en probeert hij met man en macht uit te roeien, doorgaans ten koste van de eerste en een hoop andere bondgenoten, zoals insectivore vogels. Uiteraard zitten de insecten intussen niet bij de pakken neer. De landbouw ontketende een wapenwedloop en alles wijst erop dat de mens nooit definitief de bovenhand zal halen. Integendeel: terwijl in 1945 slechts een handvol soorten schadelijke insecten immuun was voor insecticiden, waren dat er volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties vijftig jaar later al ruim vijfhonderd. Zoals steeds meer pathogene bacteriën met steeds minder soorten antibiotica kunnen worden behandeld, zo kunnen steeds meer schadelijke insecten met steeds minder soorten insecticiden worden bestreden. Genetisch gewijzigde gewassen die zelf één of ander insecticide produceren, zoals de in Europa fel gecontesteerde Bt-maïs, zullen ongetwijfeld een tijdlang soelaas bieden. Maar ook daar zullen hun belagers uiteindelijk wel wat op vinden. Boeren en tuinders winnen af en toe een veldslag, maar de oorlog is bij voorbaat al verloren. Het beste wat je in zo'n geval kunt doen, is ootmoedig je nederlaag toegeven en alles in het werk stellen om vrede te sluiten. Helaas is de mens een slechte verliezer. Na elke nederlaag, hoe pijnlijk ook, eisen we toch weer revanche. We produceren nieuwe wapens en werpen weer wat extra kanonnenvlees in de strijd. Wat ons met vier miljard niet lukt, lukt misschien wel met zes of twaalf miljard. De insecten kan het niet schelen. Hoe meer mensen, hoe minder andere vijanden en hoe meer er te vreten valt. Bovendien hebben ze nooit last van een slecht geweten en zijn ze in nagenoeg elk opzicht superieur. Ze zijn zo talrijk, planten zich zoveel sneller voort en passen zich zoveel makkelijker aan dat ze niets te vrezen hebben. In wezen zijn insecten nanotechnologische hoogstandjes. De volgende stap in de wapenwedloop wordt misschien wel de ontwikkeling van piepkleine, al dan niet zelfreproducerende anti-insectenrobots op zonne-energie. Maar wedden dat de geviseerde insecten dan binnen de kortste keren ook die microbots te slim af zijn?


Stacks Image 293
Modus vivendi

Ieder zijn meug, maar ik heb de strijdbijl begraven. Ik betwist de insecten niet langer de heerschappij over wat per slot van rekening zo manifest hún planeet is. Dat betekent niet dat ik lijdzaam toezie hoe de groene zuringhaantjes en hun larven of de rupsen van de zuringuil de maagdenzuring in de moestuin kaal vreten. Ik ben geen doetje. De rupsen pluk ik weg en laat ik smullen van de meidoorn of de wilde zuring in de boomgaard. De haantjes kunnen vliegen en die knijp ik dan ook respectvol dood. Vaak zijn ze echter zo talrijk dat er maar één ding op zit: de zuring vlak boven de bodem afsnijden en in de compostcontainer gooien. Twee weken later oogst ik dan jonge, malse maagdenzuring die meteen wordt bereid en ingevroren. Zodra de voorraad volstaat om de winter door te komen, kijk ik niet meer naar de plantjes om en mogen de haantjes hun gang gaan. Intussen reken ik erop dat de zevenstippelige lieveheersbeestjes de bladluizen op de klimrozen min of meer onder controle houden en amuseer ik me kostelijk met het observeren van andere insecten, zoals de wonderlijke strontvliegen hierboven of de vertederend fragiele grote koolwitjes hiernaast. Natuurlijk weet ik dat mevrouw straks haar eitjes afzet op de bloem-, spruit-, savooi- of boerenkool. Ik wrijf de meeste eitjes stuk en voer de jonge rupsen aan de kippen. Maar de rupsen van grote en kleine koolwitjes op de zeekool, die ik eerder als een overblijvende sierplant dan als een groente beschouw, laat ik met rust. Ze vreten zich vol, zoeken een goed beschut plekje om te verpoppen en zorgen zo voor de volgende generatie grote en kleine koolwitjes in de tuin. Het is een kwestie van geven en nemen. Sommige jaren richten de maden van de wortelvlieg meer schade aan dan me lief is en ik kan ook niet altijd van harte lachen om de dolle fratsen van de hazelnootboorder. Als meer dan tachtig procent van de hazelnoten die je raapt door de larven van dit o zo grappige kevertje is leeggevreten, dan is dat niet leuk. Maar het is ook geen drama. Uiteraard ligt dat anders voor wie van de productie van zijn hazelaars moet leven. Ik heb een boontje voor bioboeren en bewondering voor producenten die aan geïntegreerde teelt doen en het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen tot een minimum beperken. Maar ik heb ook begrip voor boeren en tuinders die al dan niet zonder scrupules de gifspuit hanteren en daarbij soms nog al jarenlang verboden producten gebruiken. Het zou niet mogen en het kan ook anders, maar de concurrentie is bikkelhard. Ook de God van de geglobaliseerde vrije markt is een genadeloos monster.


Stacks Image 294
Bezige bijtjes en bijtende beestjes

Honingbijen kunnen venijnig steken. Hun gif lokt bij sommige mensen een allergische reactie uit die zo buitensporig is dat ze eraan bezwijken. Gelukkig is de Europese honingbij allesbehalve agressief. Dat komt doordat imkers al eeuwenlang koninginnen selecteren van bijenvolken die niet alleen veel honing produceren, maar ook relatief tam zijn. In feite zijn onze honingbijen gedomesticeerde insecten. Dat neemt niet weg dat de meeste mensen er bang voor zijn. Hun angst voor bijen verzinkt echter in het niet bij de paniek die toeslaat als er een wesp in de buurt is. Toch zijn ook de meeste wespen, zoals de Franse veldwesp hiernaast, buitengewoon bedaarde beestjes. Als ze al een angel hebben, gebruiken ze die alleen in uiterste nood. Jammer genoeg scheren mensen door de bank genomen alle bijen, wespen en alles wat er ook maar enigszins op lijkt over één kam. Daar hoeven we ons niet voor te schamen, want veel andere dieren doen exact hetzelfde. Het is geen toeval dat zoveel volstrekt onschadelijke insecten zo goed op bijen, hommels of wespen lijken. De geel-zwarte tekening van de terrasjes-kommazweefvlieg jaagt ongetwijfeld heel wat potentiële belagers de stuipen op het lijf. Een bijensteek is vervelend, maar de pijn valt uiteindelijk best mee en is doorgaans van korte duur. Sommige insecten zijn echter vectoren van ernstige, vaak levensbedreigende ziekten. Zo dragen vlooien de bacterie die de pest veroorzaakt van ratten op mensen over, een onhebbelijkheid die halverwege de 14de eeuw een derde van de Europese bevolking het leven kostte. De malariaparasiet wordt overgedragen door muggen en eist jaarlijks nog altijd misschien wel een miljoen slachtoffers. De tseetseevlieg is een vector van de slaapziekte, terwijl onder meer de tijgermug het dengue- en West-Nijlvirus overdraagt. Berglepra wordt verspreid door een zandvlieg en treft jaarlijks ruim 600.000 mensen, waarvan een tiende de ziekte niet overleeft. Uiteraard is de mens niet het enige dier dat vatbaar is voor virussen, bacteriën en allerlei gevaarlijke parasieten die zich via insecten verspreiden. Zo brak in augustus 2006 in België en Nederland blauwtong uit, een virusziekte die vooral schapen treft en door knutjes wordt overgedragen. Pas in de 19de eeuw kwamen wetenschappers erachter dat insecten ziekten kunnen overdragen. Het hoeft geen betoog dat deze ontdekking hun toch al dubieuze reputatie geen goed deed. Toen begin de jaren 1980 duidelijk werd dat je niet alleen door onveilige seks, maar ook door injectienaalden en bloedtransfusies met het aidsvirus kunt worden besmet, vreesden velen dat ook muggen en andere bloedzuigende insecten HIV konden overdragen. Loos alarm, zo bleek, maar het had gekund. Een ronduit beangstigende gedachte.

PijlTop

Stacks Image 295
Smaak en kraak

"Op mijn vijftiende verdwenen God, Satan, Paradijs en Hel toen ik op een dag vrij abrupt mijn geloof verloor. (…) om mijn nieuwbakken atheïsme op de proef te stellen, kocht ik vervolgens een broodje ham en nam dus voor de eerste keer het verboden vlees van het zwijn tot mij. Ik werd niet door een bliksemschicht getroffen." (Salman Rushdie)

Joden en moslims mogen van Jahweh dan wel Allah geen varkensvlees eten. Dit volstrekt arbitraire verbod is veel ouder dan hun religie en berust vermoedelijk op een oeroud taboe van één of ander woestijnvolk. De meeste gelovigen kunnen zich niet voorstellen dat hun God maar wat uit zijn nek kletst en overstelpen je desgevraagd met allerlei zogenaamd rationele argumenten die kant noch wal raken en al talloze keren door wetenschappelijk onderzoek zijn ontkracht. Meestal komt het erop neer dat varkensvlees ongezond zou zijn. Christenen moeten daar eens goed om lachen en voor één keer hebben ze gelijk. Net zoals miljarden Aziaten, Afrikanen, Oceaniërs en Latijns-Amerikanen gelijk hebben wanneer ze spotten met westerlingen die hun neus ophalen voor de keverlarven, rupsen, wantsen, sprinkhanen en andere insecten die ze zelf met zoveel smaak verorberen. De misvatting dat de rest van de wereld alleen maar uit harde noodzaak insecten eet, is een staaltje van westerse arrogantie. Ze doen het omdat sommige insecten zonder meer een delicatesse zijn. Dat chimpansees, onze nauwste verwanten, soms wel een half uur per dag met een takje mieren vissen, is echt niet omdat ze honger hebben. Ze vinden die mieren gewoon beestig lekker. In de ogen van Jahweh en Allah is entomofagie echter een gruwel. Insecten zijn niet koosjer; ze zijn haram. Er is één uitzondering: sprinkhanen. Om de één of andere duistere reden – of omdat Mohammed en zijn gevolg ze onweerstaanbaar vonden? – mogen moslims sprinkhanen eten. Ze zijn halal. De joodse spijswetten zijn helaas minder duidelijk: vier soorten sprinkhanen zijn koosjer, maar niemand weet met zekerheid welke vier dat zijn. Orthodoxe joden wagen zich er dan ook niet aan. Je zult maar Gods toorn opwekken door je tanden per ongeluk in een foute sprinkhaan te zetten!


Stacks Image 296
Broodje kakkerlak?

Geroosterd, gebakken, gekookt, gefrituurd, gedroogd, gerookt of gewoon rauw en soms nog springlevend: wereldwijd eten mensen zowat 1.400 soorten insecten. Vaak gaat het om een delicatesse die alleen in een bepaalde periode van het jaar te verkrijgen is, een beetje zoals onze hopscheuten, asperges of maatjesharing. De insecten worden in het wild verzameld, meestal door vrouwen en kinderen, en op de lokale markt verkocht. Een bijverdienste die niet zelden goed is voor meer dan de helft van het gezinsinkomen. Aangezien de voedingswaarde van insecten perfect vergelijkbaar is met die van vlees, pleiten sommigen ervoor om allerlei eetbare insecten op grote schaal te gaan kweken. Een goed idee, want vergeleken met varkens, runderen, schapen, geiten of kippen zetten insecten een veel groter deel van hun voedsel om in voor menselijke consumptie geschikte proteïnen en vetten. Dat komt onder meer doordat ze koudbloedig zijn en geen energie verspillen aan het op temperatuur houden van hun eigen lichaam. Ze hebben veel minder voedsel en water nodig en produceren ook amper mest en andere afvalstoffen. Bovendien nemen ze minder ruimte in beslag, leven veel soorten van organisch afval en ervaren ze niets wat ook maar enigszins op pijn lijkt, zodat alvast één van de ethische argumenten tegen de consumptie van dierlijke producten wegvalt. Aangezien de vraag naar dierlijke proteïnen en vetten de komende decennia sterk zal stijgen, is de intensieve teelt van eetbare insecten een potentiële goudmijn. Waarom er dan niet veel meer geld in wordt gepompt? Omdat de meeste kapitaalkrachtige investeerders en ondernemers, al hun pretenties ten spijt, ontzettend conservatief en kortzichtig zijn én het grote geld voorlopig nog vooral in Europa en Noord-Amerika zit. Het onderzoek naar de mogelijkheden van wat wel eens miniveeteelt wordt genoemd – al omvat die term ook de teelt van cavia's, wormen, slakken, kikkers en andere klein grut – gebeurt vandaag nog hoofdzakelijk aan universiteiten en andere, niet door winst gedreven instellingen. Maar naarmate de beschikbare ruimte voor de teelt van vee en voedergewassen schaarser en de milieueffecten ervan nijpender worden, zal de intensieve teelt van eetbare insecten ongetwijfeld een steeds aantrekkelijker en lucratiever alternatief worden. Wedden dat ze binnen de twintig jaar op de menukaart van onze toprestaurants staan om vervolgens snel hun weg naar de supermarkt te vinden? Trendy, delicieus, gezond en honderd procent bio!


Stacks Image 297
Gij zult geen rode m&m's eten!

In Matonge, de Centraal-Afrikaanse wijk van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kun je al jaren geroosterde rupsen en andere insecten kopen en proeven. Ook via het internet kun je eetbare insecten bestellen, maar het aanbod is beperkt en, zacht uitgedrukt, behoorlijk prijzig. Voor minder dan dertig gram gevriesdroogde sprinkhanen vraagt een Nederlandse producent meer dan 12 euro. Anno 2012 koop je daarvoor in de supermarkt al snel twee kilo gemengd gehakt. Europese producenten van eetbare insecten hebben mijn sympathie, maar voor de intensieve teelt van de meeste soorten is ons klimaat minder of zelfs helemaal niet geschikt. In tropische gebieden, waar klassieke veeteelt vaak uitgesloten is, kun je veel makkelijker en vooral goedkoper insecten kweken. In feite ontbreken maar twee dingen om er vandaag al op grote schaal mee te starten: geld en kennis. Dat het perfect mogelijk is om op een intensieve én rendabele manier aan insectenteelt te doen, staat hoe dan ook buiten kijf. Honing, ooit een luxeproduct, is vandaag haast overal voor een schijntje te koop. Zijde is nog altijd relatief duur, maar al lang niet meer quasi onbetaalbaar. Hoeveel eigenaars van een zijden pyjama beseffen dat hun kostbare nachtkledij is gemaakt van de cocons van enkele honderden zijderupsen, waarvan de poppen overigens eetbaar zijn? Ook de cochinelleluis, een Zuid-Amerikaans insect dat op schijfcactussen leeft, wordt al eeuwenlang intensief geteeld. Gemalen zwangere vrouwtjes van deze schildluis leveren karmijnzuur op, een kleurstof die onder meer wordt gebruikt in verf, cosmetica en voedingswaren. In dat laatste geval staat er op de verpakking dat het product in kwestie E120 bevat, althans in de Europese Unie. Heel wat lipstick, soep, yoghurt, frisdrank, milkshake en snoep dankt zijn roze of rode kleur aan dit uit insecten gewonnen pigment. Dat geldt ook voor rode m&m's. Een publiek geheim, maar toen godvrezende Europese moslims erachter kwamen, reageerden ze alsof het om de zoveelste verdoken inbreuk van het perverse, goddeloze westen op hun toch al zo hevig onder vuur liggende identiteit ging. Jarenlang hadden ze immers onbewust gezondigd tegen één van de geboden van een God die zich blijkbaar met futiliteiten inlaat: Gij zult, behalve sprinkhanen, geen insecten en dus ook geen rode m&m's eten. Te gek voor woorden, maar wat doe je eraan? Tenslotte heeft iedereen het recht om zichzelf belachelijk te maken.

PijlTop

Een klasse apart

Volgens de
Belgische Soortenlijst is de klasse van de insecten (Insecta) in ons land goed voor 18.469 soorten. Ze behoren tot een twintigtal orden die nagenoeg allemaal ook in de tuin aan de Heuvelstraat 37 zijn vertegenwoordigd. Van zes orden komen zoveel soorten voor dat ik ze apart behandel. Zo blijven de soortengalerijen overzichtelijk en vind je sneller informatie over een bepaalde soort. Het nadeel is dat je vooraf moet weten tot welke orde het insect in kwestie behoort, iets wat niet altijd evident is. Met wat geluk zetten de foto's hiernaast je meteen op het goede spoor.


Voor de goede orde

De voorvleugels van
kevers (Coleoptera) zijn harde schilden die de kwetsbare achtervleugels beschermen en doorgaans volledig bedekken. De meeste soorten kunnen vliegen, zij het vaak wat stuntelig. Kevers zijn holometabool: uit hun eitjes komen larven die vervellen, groeien, verpoppen en een volkomen gedaanteverwisseling ondergaan.

Tot de orde van de
libellen (Odonata) behoren zowel de echte libellen als de juffers. Libellen zijn hemimetabool. De nimfen leven in het water en verlaten het pas net voor de laatste gedeeltelijke gedaanteverwisseling. Die is haast even spectaculair als de ontpopping van een vlinder of een kever, wat verklaart waarom de nimfen vaak larven worden genoemd. Echte libellen zijn groter en forser gebouwd dan juffers en houden hun vier vleugels ook in rust gespreid.

De orde van de
snavelinsecten (Hemiptera) omvat de wantsen, cicaden en plantenluizen. Anders dan kevers hebben ze een snavel of steeksnuit. Op de foto van de zuringwants hiernaast is die duidelijk onder de kop te zien. Hoewel veel snavelinsecten op kevers lijken, zijn de twee orden allesbehalve nauw verwant. Dat blijkt ook uit de manier waarop ze zich voortplanten. Snavelinsecten zijn hemimetabool: uit hun eitjes komen geen larven, maar nimfen die verschillende gedeeltelijke gedaanteverwisselingen ondergaan.

Vliegen en muggen vormen samen de orde van de
tweevleugeligen (Diptera). Ze hebben slechts één paar vleugels. De achtervleugels zijn veranderd in zogenaamde halters, knotsvormige orgaantjes die helpen om de vlucht te stabiliseren. Vliegen hebben korte, soms nauwelijks zichtbare antennes. Muggen hebben meestal wel lange, niet zelden gevederde antennes en een zuigsnuit. Sommige muggensoorten lijken op vlinders, terwijl andere niet alleen op vliegen lijken maar ook zo worden genoemd. Rouwvliegen, bijvoorbeeld, zijn eigenlijk muggen.

De orde van de
vliesvleugeligen (Hymenoptera) omvat niet alleen de bijen, hommels en wespen, maar ook de mieren. Afgezien van enkele vleugelloze soorten hebben ze allemaal twee paar vleugels. De achtervleugels zijn meestal veel kleiner dan de voorvleugels, waaraan ze met haakjes vastzitten. Daardoor lijken vliesvleugeligen vaak slechts één paar vleugels te hebben. Om ze van tweevleugeligen te onderscheiden, let je dus beter op de antennes en de aan- of afwezigheid van halters. Opmerkelijk is dat sommige soorten in kolonies leven met een koningin die voor de voortplanting zorgt. Alleen termieten, een orde die in België en Nederland (nog) niet in het wild voorkomt, kennen een gelijkaardige samenlevingsvorm. Vliesvleugeligen zijn holometabool.

Vroeger werd de orde van de
vlinders (Lepidoptera) ingedeeld in dag- en nachtvlinders of motten. Die indeling is achterhaald. Veel zogenaamde motten zijn immers nauwer verwant aan vlinders die overdag actief zijn dan aan soorten die alleen 's nachts vliegen. Vlinders zijn holometabool, hebben twee paar vleugels, lange antennes en meestal ook een roltong. De vrouwtjes van sommige soorten, zoals de witvlakvlinder, zijn vleugelloos.


Voor de rest

Slechts 785 van de 18.469 insecten van de Belgische Soortenlijst behoren niet tot één van de zes hierboven voorgestelde orden. De meest bekende zijn wellicht de sprinkhanen. In de soortengalerij van de rubriek andere insecten tref je echter ook oorwormen, schorpioenvliegen, eendagsvliegen, netvleugeligen en soorten uit nog andere orden aan. Een bizar allegaartje.

PijlTop

Stacks Image 305
Stacks Image 306

Bronnen en links naar meer informatie

  • Nils Møller Andersen & Lanna Cheng, The Marine Insect Halobates (Heteroptera: Gerridae): Biology, Adaptations, Distribution, and Phylogeny, Oceanography and Marine Biology: An Annual Review, 2004.
  • Heiko Bellmann, Insectengids, Tirion Natuur, 2010.
  • Waldemar Bonsels, Die Biene Maja und ihre Abenteuer – Roman für Kinder, Schuster u. Loeffler, 1912 (html-versie Project Gutenberg).
  • Book of Insect Records, University of Florida, 2009.
  • Buginfo, Smithsonian Institution, 2012.
  • Chris Buskes, Evolutionair denken: de invloed van Darwin op ons wereldbeeld, Uitgeverij Nieuwezijds, 2006.
  • Michael Chinery, Nieuwe Insectengids, Tirion Natuur, 2007.
  • Midas Dekkers, De larf – Over kinderen en metamorfose, Uitgeverij Contact, 2002.
  • Dimensions of need – An atlas of food and agriculture, FAO, 1995.
  • Stephen Jay Gould, A Biological Homage to Mickey Mouse, Natural History, 1978 (pdf).
  • Stephen Jay Gould, De duim van de panda - Over evolutie & ontwikkeling, Uitgeverij Contact, 1993.
  • Paul Hawken, Amory Lovins, L. Hunter Lovins, Natural Capitalism – Creating the Next Industrial Revolution, Back Bay Books, 2008 (Chapter 10, Food for Life).
  • Franz Kafka, Die Verwandlung, DigBib.Org, 2011 (pdf).
  • Franz Kafka, Verzameld werk, Querido, 1985.
  • Nick Lane, Oxygen – The Molecule that made the World, Oxford University Press, 2009.
  • Simon Hugh Piper Maddrell, Why are there no Insects in the Open Sea?, The Company of Biologists Limited, 1998 (pdf).
  • Margaret Mead, Coming of Age in Samoa – A Study of Adolescence and Sex in Primitive Societies, Penguin Books, 1978.
  • Jelle Reumer, De ontplofte aap – Opkomst en ondergang van de mens, Uitgeverij Contact, 2005.
  • Salman Rushdie, Imaginary homelands – Essays and Criticism 1981-1991, Penguin Books, 1992.
  • Dick Swaab, Wij zijn ons brein – Van baarmoeder tot alzheimer, Uitgeverij Contact, 2012.
  • Arnold van Huis, Insecten als voedsel, 2006 (pdf).
  • Edward O. Wilson, Het Veelvormige Leven, Uitgeverij Contact, 1994.

PijlTop

Geraardsbergen, 5 juni 2012.
Laatst aangepast op 5 juni 2012.